Winteronkruiden proactief aanpakken in biologische wintergranen
Winteronkruiden zoals straatgras, vogelmuur en echte kamille winnen terrein in biologische wintergranen door warmere en vaak nattere najaarsomstandigheden en mildere winters. Uit een praktijkproef uitgevoerd in het teeltseizoen 2024-2025 blijkt dat late zaai begin november nog steeds de meest robuuste strategie is op vlak van onkruidbestrijding en graanopbrengst, maar dat vroeg zaaien (omstreeks half oktober) wél kan renderen mits goed getimede voor- én herhaalde na-opkomst wiedegbeurten met een precisiewiedeg. Begeleidende gewassen (vlas en facelia) boden in deze proef geen meerwaarde en leidden alvast bij een zachte winter tot duidelijke opbrengstverliezen.
Inagro onderzocht samen met UGent en ILVO hoe beheerstrategieën gebaseerd op zaaitijdstipkeuze, de inpassing van precisiewiedeggen en/of begeleidende gewassen hierop inspelen. Daarnaast werd nagegaan of de voorgestelde beheerstrategieën graanopbrengst of eiwitgehalte beïnvloeden. De proef kaderde in het bio-onderzoeksproject “Winteronkruiden proactief aanpakken in biologische akkerbouw en groenteteelt” en werd aangevuld met een diepgaande zaadbankanalyse in het kader van een masterthesis aan UGent (P. De Middeleer).
Waarom zijn winteronkruiden een groeiend probleem?
Mildere en nattere winters zorgen ervoor dat typische winteronkruiden zoals vogelmuur (Stellaria media), straatgras (Poa annua) en echte kamille (Matricaria chamomilla) steeds vaker én sterker de winter doorkomen. Dit kan leiden tot een verhoogde onkruiddruk vanaf het vroege voorjaar, wanneer ook de mechanische beheersingsmogelijkheden beperkt zijn. Op dat moment is het gebruik van de wiedeg weinig effectief, omdat de bodem vaak te hard is en de onkruiden al te ver ontwikkeld zijn. De hogere onkruiddruk zorgt voor concurrentie met het graan en kan leiden tot aanzienlijke opbrengstverliezen.
Het klassieke advies voor wintergranen in biologische teelt is late zaai (begin november) zodat winteronkruiden minder massaal aanwezig zijn en/of weinig ontwikkeld de winter ingaan. Met het warmer wordende klimaat krijgen we de laatste jaren langere, zachte periodes in de herfst. Zo rijst echter de vraag of vroeger zaaien, gecombineerd met effectieve mechanische onkruidbestrijding in het najaar, een werkbaar alternatief is. Daarenboven zijn de weersomstandigheden in het najaar onvoorspelbaar. Gunstige zaaiomstandigheden in oktober kunnen interessant zijn om te benutten, omdat de omstandigheden in november op dat moment nog niet in te schatten zijn. De kans bestaat altijd dat november te nat wordt om de granen nog gezaaid te krijgen.
Gunstige najaarsomstandigheden en een milde winter zorgen voor vlot proefverloop
De proef werd onder gunstige omstandigheden aangelegd op het proefbedrijf voor Biologische Landbouw van Inagro in Rumbeke-Beitem (zandleemgrond), na een voorteelt van wortelen. De wortelen lieten een arm bodemprofiel achter (gemiddeld 19,7 kg NO3-N/ha in de 0-60 cm bodemlaag, situatie op 15/10/2024). Er werden vijf beheerstrategieën (Tabel 1) uitgetest in twee graansoorten, namelijk wintertarwe en wintertriticale. Voor wintertarwe kozen we voor het ras Wendelin en voor de triticale kozen we Brehat. De zaaidosissen (400 zaden/m²), tussenrijafstanden (13 cm) en bemestingsdosissen (100 N, in 2 fracties 75 en 25 N) werden constant gehouden over strategieën heen.
Tabel 1: Beproefde beheerstrategieën met opgave van gewasstadium op moment van precisiewiedeggen.
De beheerstrategieën omvatten vijf combinaties van zaaitijdstip, frequentie/timing van precisiewiedeggen, met of zonder begeleidende gewassen (zie Tabel 1). Een goed moment voor vroege zaai deed zich voor half oktober. We gebruikten de Dent michel diepwoeler en rotoregden in combinatie met zaai op 16 oktober. Bij strategie 5 werden de begeleidende gewassen (vlas en facelia) ingezaaid onmiddellijk volgend op de inzaai van het graangewas. Dit gebeurde manueel (vlas aan 10 kg/ha, facelia aan 5 kg/ha), waarna deze zaden ingewerkt werden met de wiedeg.
Beide soorten zijn vorstgevoelig; het idee was dat ze in het najaar het onkruid zouden onderdrukken (beiden soorten vertonen nog een wezenlijke najaarsontwikkeling) en vervolgens in de winter kapotvriezen zodat ze in het voorjaar het wintergraan niet zouden beconcurreren. De winter was evenwel vrij mild en onvoldoende koud om de facelia en het vlas af te doden. We probeerden ze alsnog te vernietigen door te rollen bij licht bevroren grond, maar ook dit had onvoldoende effect.
Op 8 november werd het object ‘late zaai’ (strategie 1, zie Tabel 1) ingezaaid, voorafgegaan door rotoreggen. De opkomst van de wintertarwe (gemiddeld 77,37%) was beter dan die van de triticale (gemiddeld 62,31%) over de volledige proef.
Voor de mechanische onkruidbestrijding (Strategie 3 en 4, zie Tabel 1) werd gekozen voor de precisiewiedeg, die een nauwkeurige afstelling en een uniforme onkruidbeheersing mogelijk maakt. Figuur 1 toont voor elke strategie een beeld van het veld (datum 9 december).

Vroeg zaaien resulteert in meer kieming van winteronkruiden
Met een zaadbankanalyse onderzochten we de hoeveelheid zaden van onkruiden in de bodem in het perceel. Daaruit bleek dat de meest voorkomende zaden van de typische winteronkruiden zijn (echte kamille, vogelmuur en straatgras respectievelijk). Het voorkomen van de zaden was redelijk homogeen verdeeld over het perceel.
Voor de start van het experiment waren er geen verschillen in de zaadvoorraad, noch globaal noch wat betreft de aanwezigheid van winteronkruiden (zie Figuur 2). Bijgevolg zijn de hierna aangehaalde effecten uitsluitend toe te schrijven aan de toegepaste strategie of graansoort. In januari, na beëindiging van de precisiewiedegbeurten, vertoonden de objecten met vervroegde zaai opvallend kleinere zaadvoorraden aan winteronkruiden dan het object met normale late zaai. Dit wijst erop dat bij vervroegde zaai meer winteronkruiden de kans krijgen om te kiemen omwille van hogere temperaturen en/of mechanische verstoring. Aangezien er bij de oogst geen zaadvoorraad werd gemeten, kon niet worden onderzocht in welke mate deze werd aangevuld door zaadzetting in het voorjaar.

Wiedeggen heeft een (tijdelijk) uitdunningseffect
De standdichtheid van de granen in december werd niet beïnvloed door de graansoort maar wel door de beheerstrategie. De standdichtheid in het object met vervroegd zaaien met vooropkomst en naopkomst wiedeggen was 45% lager ten opzichte van het object laat zaaien zonder mechanische onkruidbeheersing. Dit verschil vertaalde zich echter niet in een significant lagere graanopbrengst bij de oogst (zie verder). Binnen de vervroegde zaai resulteerde tweemaal wiedeggen in naopkomst in een significante gewasuitdunning van 30% ten opzichte van de controle zonder wiedeggen. Wiedeggen in vooropkomst alleen leidde daarentegen niet tot gewasuitdunning (Figuur 3).

Na de winter werd de gewasstand beoordeeld op drie tijdstippen (maart, mei en juni). In maart had de triticale een betere gewasstand dan de wintertarwe. De laat gezaaide veldjes hadden ook een duidelijke “achterstand” door het latere zaaitijdstip. De vroeg gezaaide veldjes konden dankzij die vroegere zaai sterker ontwikkeld de winter doormaken. In de veldjes waar zowel in voor- als in na-opkomst werd gewiedegd, vertoonde het gewas op dat moment een licht slechtere gewasstand als gevolg van de uitdunning door de naopkomst-wiedegbeurten (Figuur 3). Deze uitdunning was kort na de najaarsbewerkingen ook duidelijk zichtbaar in het veld (Figuur 4). Bij de tweede beoordeling, begin mei, was dat verschil in gewasstand verdwenen. Het uitdunningseffect van de wiedegbeurten is dus tijdelijk en wordt vlot gecompenseerd dankzij het uitstoelingsvermogen van de granen. Bij de derde beoordeling, halfweg juni, werd de triticale beter gescoord dan de wintertarwe, maar waren er geen significante verschillen op te merken tussen de verschillende beheerstrategieën.

Zaaitijdstip en frequentie van wiedeggen maken het verschil voor de onkruiddruk
Om de onkruiddruk te beoordelen, bepaalden we op drie momenten de onkruidbezetting en de bovengrondse onkruidbiomassa. Om de onkruidbiomassa te kwantificeren voerden we destructieve metingen uit. Daarbij sneden we per proefveld op drie plaatsen telkens één vierkante meter biomassa weg. Vervolgens scheidden we de biomassa in graan, onkruiden en begeleidende gewassen (facelia en vlas) en bepaalden we het afzonderlijke gewicht van elk onderdeel.
Op 5/11 kon er geen effect van graansoort op de onkruiddensiteit worden vastgesteld. Er was ook geen effect van vooropkomstwiedeggen zichtbaar (vergelijk hiertoe vervroegde zaai met vooropkomst precisiewiedeggen met vervoegde zaai zonder onkruidbeheersing) (Figuur 5). Op 9/12, 3 weken na de laatste precisiewiedegbeurt, vertoonden de objecten late zaai zonder mechanische onkruidbeheersing en vervroegde zaai met vooropkomst- en naopkomstwiedeggen een significant lagere onkruidbezetting in vergelijking met de objecten vervroegde zaai zonder mechanische onkruidbeheersing en vervoegde zaai met begeleidende gewassen.


Er werden geen wezenlijke verschillen vastgesteld in graan- en onkruidbiomassa tussen triticale en wintertarwe. De vulkracht van beide graansoorten was dus gelijkwaardig. Ook tussen de verschillende beheerstrategieën waren de verschillen in graanbiomassa gering maar er waren wel duidelijke verschillen in de onkruidbiomassa (Figuur 7). Het minst onkruid ontwikkelde zich in de veldjes die laat gezaaid werden en waar geen mechanische onkruidbeheersing gebeurde. Indien echter gekozen wordt voor een vroege zaai, dan is het cruciaal om te wiedeggen in na-opkomst. Hierbij was de onkruidbiomassa duidelijk lager bij een combinatie van vooropkomst wiedeggen en herhaaldelijk (2x) na-opkomst wiedeggen, vergeleken met enkel wiedeggen in vooropkomst of een strategie zonder wiedeggen. De onkruidbiomassa nam duidelijk af naarmate het aantal wiedegbeurten toenam (significant in februari).Bij de objecten waar facelia en vlas werden meegezaaid, ontwikkelde zich de hoogste onkruidbiomassa (inclusief facelia en vlas). Deze was significant hoger dan bij de normale late zaai zonder mechanische onkruidbeheersing en bij de vervroegde zaai met voor- en naopkomstwiedeggen, ongeacht het bemonsteringstijdstip. De toevoeging van begeleidende gewassen had ook geen duidelijke meerwaarde voor de onderdrukking van onkruiden. De onkruidbiomassa (exclusief facelia en vlas) in februari was in het object vervroegde zaai met begeleidende gewassen, ondanks een 50% lagere biomassa, niet significant verschillend van die in het object vervroegde zaai zonder mechanische onkruidbeheersing.
Tenslotte bleek de onkruidbiomassa, opgemeten in februari, negatief gecorreleerd met de uiteindelijke graanopbrengst (zie verder), terwijl de graanbiomassa positief gecorreleerd was met de graanopbrengst.
Wat de onderdrukking van de winteronkruiden (vogelmuur, straatgras en echte kamille) in februari betreft, zien we dat late zaai zonder mechanische onkruidbeheersing een significant lagere winteronkruidbiomassa vertoont dan de objecten met vervroegde zaai (0.68 g/m² versus 2.88–13.35 g/m²). Binnen de objecten met vervroegde zaai vertoont het object met voor- en na-opkomstwiedeggen (2.88 g/m²) geen significant lagere winteronkruidbiomassa ten opzichte van het object met begeleidende gewassen (6.71 g/m²), maar wel ten opzichte van de objecten met enkel vooropkomstwiedeggen en zonder mechanische onkruidbeheersing (respectievelijk 12.42 en 13.35 g/m²).

Late zaai levert de hoogste opbrengst maar laagste eiwitgehalte
Globaal gezien is de opbrengst van de triticale een stuk hoger (6 ton/ha) dan die van de wintertarwe (4.5 ton/ha).
Wat beheerstrategieën betreft, haalden de veldjes die laat gezaaid werden en waar we geen onkruidbeheersing uitvoerden, de hoogste opbrengst (7.2 ton/ha). In de vroeg gezaaide veldjes, waar we zowel in voor- als in na-opkomst wiedegden, werd een iets lagere opbrengst gehaald, maar de verschillen met de late zaai zijn niet significant (6.1 ton/ha). De veldjes die vroeg gezaaid werden en waar niet of enkel in na-opkomst gewiedegd werd, halen duidelijk lagere opbrengsten (respectievelijk 4.6 en 5 ton/ha) dan de laat gezaaide veldjes. In de veldjes waar er facelia en vlas werd meegezaaid, is de graanopbrengst het laagst (3.4 ton/ha). Het is dus duidelijk dat de aanwezige onkruiden, en gewasbegeleidende gewassen facelia en vlas die de milde winter overleefden, voor concurrentie zorgen en graanopbrengst kosten.
Het eiwitgehalte vertoonde een negatieve relatie met de graanopbrengst: het was het laagst bij laat gezaaide percelen zonder wiedeggen (plots met hoogste graanopbrengst, 7.89% eiwit op drogestof) en het hoogst bij vroeg gezaaide percelen met begeleidende gewassen (plots met laagste graanopbrengst, 8.50% eiwit op drogestof). Dit verschil was significant. Het eiwitgehalte van wintertarwe lag significant 40% hoger dan dat van triticale (9.58% versus 6.86% op drogestof).
Klassieke praktijkadvies in deze proef bevestigd
Een late zaai zonder onkruidbeheersing levert de laagste onkruiddruk doorheen de teelt en zorgt voor de hoogste graanopbrengst. Vroeger zaaien kan een goed bedrijfszeker alternatief zijn, mits er in het najaar efficiënt gewiedegd kan worden, en dit zowel in vooropkomst als herhaaldelijk in na-opkomst. Deze wiedegbeurten zorgen voor een niet onbelangrijk uitdunningseffect van het graan, maar leidden niet tot significante opbrengstderving, omwille van de sterke uitstoelingscapaciteit van beide graansoorten, die dit effect compenseert. Vroeger zaaien zonder ingrijpen met de wiedeg (in het bijzonder in na-opkomst) is risicovol voor onkruiddruk en voor opbrengst. Het inzaaien van facelia en vlas was weinig effectief in de onderdrukking van onkruid, en veroorzaakte onaanvaardbare concurrentie met het graangewas gezien ze omwille van te milde winteromstandigheden onvoldoende afgedood werden. De graansoort zelf had geen significant effect op onkruidbiomassa of -dichtheid.
Meer info?
joran.barbry@inagro.be
Proef uitgevoerd in kader van het bio onderzoeksproject “Winteronkruiden proactief aanpakken in biologische akkerbouw en groenteteelt”, met financiële steun van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij van Vlaanderen.
