Rapton en Laston domineren rassenproef biologische winterprei
Inagro oogst zijn rassenproef biologische winterprei steeds in volle winter, op het moment dat de prei het meest op de proef wordt gesteld. Laston en Rapton kwamen met stip naar voor als de betere rassen qua opbrengst en kwaliteit. Rapton is nieuwe aanwinst voor de herfst, maar heeft een goede houdbaarheid tot in de volle winter. Laston is een vaste waarde als winterprei.
Teeltverloop
We kweekten de prei op in een tunnel op het Proefbedrijf Biologische Landbouw van Inagro. We zaaiden op 31 maart aan 86 zaden per meter en 1,5 cm diep onder een plastic tunnel. Voor de rassen Freezo, Malibu, Nunton, Oslo en Pluston waren de zaden biologisch. Van de andere rassen werd niet chemisch behandeld zaad gebruikt. De rassen Blauwgroene Winter Riga en Freezo zijn zaadvaste rassen.
Tabel 1: De verschillende uitgeteste rassen.
De voorteelt op het perceel was grasklaver. Deze werd gemaaid en nadien vernietigd met behulp van een mulchfrees en herhaaldelijke ondiepe bewegingen met de precisiecultivator. We bemestten het perceel met 25 ton/ha vaste rundermest op 24 mei. Het veld werd plantklaar gemaakt door te diepwoelen met Dent Michel tanden in combi met de rotoreg. We plantten de prei op 27 juni in vlakvelds geponste gaten op een afstand van 10 cm in de rij en met een tussenrijafstand van 70 cm. Tijdens de teelt gebruikten we de precisiewiedeg en de schoffelbalk intensief om het perceel onkruidvrij te houden. Waar nodig werd ook manueel ingegrepen om grote onkruiden te verwijderen. Door de aanhoudende droogte in augustus beslisten we twee keer 30 l/ m² te beregenen. Algemeen viel de gewasontwikkeling en groei niettemin tegen in vergelijking met voorgaande jaren.
We oogstten de prei op 30 januari, op een moment dat het gewas zwaar te lijden had onder de winter. De vijf betere rassen haalden nog een opbrengst van 20 à 25 ton per ha. Dit is iets lager dan voorgaande jaren. De overige rassen scoorden ondermaats. Een eerste beoordeling in de bak na wassen gebeurde op 6 februari. Op 16 februari volgde een tweede beoordeling na een bewaring van 2 dagen bij 2°C en 7 dagen bij 7°C.
Tabel 2: Proefverloop.
Moeilijke omstandigheden zorgen voor grote verschillen tussen rassen.
ASR 60.0019 F1 (Storm Seeds) haalde een lage marktbare opbrengst van 14,7 ton/ha (t.o.v. gemiddeld 18,0 ton/ha) met 82,5% marktbare planten. In het veld was de gewasstand matig en de uniformiteit heterogeen; de groeiwijze was minder sterk opgericht dan de topgroep. Eind september was er duidelijk tripsdruk die later milder werd. Het ras is gemiddeld sleetgevoelig en scoort zwak op roest. De sortering is fijn: 35,9% van de planten had een diameter van minder dan 2 cm en slechts 3,8% had een diameter van 3–4 cm. In de bak is het algemeen uitzicht minder en het wit geliger, met een donkere bladkleur en beperkte trips-/roestscore rond gemiddeld. Na bewaring scoorde het ras iets onder het gemiddelde voor houdbaarheid, met 10% van de planten met rotte bladeren en 20% met doorgroei.
Blauwgroene Winter Riga zaadvast (Novisem) kwam uit op een zeer lage opbrengst van 11,2 ton/ha en ook het aandeel marktbare planten was laag (64,5%). In het veld was de gewasstand zwak doorheen het seizoen en de uniformiteit laag, met aanvankelijk een blekere bladkleur die later bijtrok. De wegval was hoog en ook het aandeel “te klein” liep op tot 11%. Mogelijk werd dit ras, als zwakke groeier, extra benadeeld door het aanaarden van de prei net voor de winter. Riga is gevoelig voor roest en papiervlekken. De sortering is fijn met 33% van de planten met een diameter kleiner dan 2 cm. In de bak was het uitzicht middelmatig met open bladsluiting en wat meer trips-schade. Het wit is matig goed. Na bewaring is de houdbaarheid-score redelijk, maar er waren veel planten met rotte bladeren, wat voor praktijkbewaring een aandachtspunt is.
E65D.108 F1 (Enza) sluit met een opbrengst van 19,9 ton/ha aan bij de top 5. 87,5% van de planten is marktbaar planten en heeft een stevig stukgewicht. In het veld stond het ras sterk en uniform, met een opgerichte groeiwijze en beperkte tripsdruk. Uitvalcomponenten bleven laag. Het ras scoort redelijk goed tegen roest en degelijk op sleet en gemiddelde op papiervlekken. De sortering is zwaarder: slechts 18,1% van de planten had een diameter van minder dan 2 cm en 17,1% haalde een diameter van 3–4 cm. In de bak is het uitzicht goed met goede vastheid/gladheid en een redelijke witkwaliteit. Na bewaring is de houdbaarheid-score goed. Er zijn geen planten met rotte bladeren. 30% vertoont wel doorgroei.
Freezo zaadvast (Bingenheimer Saatgut) bleef op 11,6 ton/ha en 65,8% marktbare planten, dus duidelijk onder het gemiddelde. De gewasstand was zwak en de uniformiteit eveneens laag; de groeiwijze zakte tegen januari wat terug. Wegval was hoog en het aandeel “te klein” liep op tot 10%. Mogelijk werd dit ras, als zwakke groeier, extra benadeeld door het aanaarden van de prei net voor de winter. Het ziektebeeld is wat minder dan gemiddeld voor zowel roest, purpervlekken als papiervlekken. De sortering is uitgesproken fijn: 35,9% van de planten had een diameter kleiner dan 2 cm. In de bak scoort het ras zwak op uitzicht en matig op trips/roest, met wit-score wat onder het gemiddelde. Na bewaring is de houdbaarheid-score iets ondergemiddeld met 20% van de planten met rotte bladeren en 20% met doorgroei.
Laston F1 (Nunhems) was één van de sterkste opbrengstrassen met 24,0 ton/ha, 92,8% marktbare planten en een hoog stukgewicht. In het veld stond het ras uitstekend, met hoge uniformiteit en een sterk opgerichte groeiwijze. Trips bleef beperkt. De uitval was laag. Het ras scoort zeer goed op sleet en roest, papiervlekken en purpervlekken. De sortering is grover: slechts 11% van de planten had een diameter kleiner dan 2 cm, maar 31,7% van de planten haalde een diameter van in 3–4 cm. In de bak is het top op uitzicht met donkere bladkleur en een mooie witkleur, al is het aandeel wit op stamlengte wat lager door meer aanloop. Na bewaring scoort het ras het best van alle rassen met weinig planten met rotte bladeren maar wel 40% planten met doorgroei.
Malibu F1 (Novisem) kwam uit op 15,8 ton/ha (onder gemiddeld) met 86% marktbare planten. In het veld was de gewasstand redelijk maar deze nam af richting de winter. De uniformiteit bleef aanvaardbaar en de groeiwijze was middelmatig opgericht. Tripsdruk was in september merkbaar. Percentage wegval en “te klein” zaten niet extreem hoog, en het ras scoort gemiddeld over de verschillende beoordeelde ziektes. Sortering is eerder middelmatig-fijn: 27% van de planten had een diameter van minder dan 2 cm en slechts 5% haalde een diameter van 3–4 cm. In de bak is het uitzicht minder goed en het wit duidelijk meer gelig, wat het commerciële beeld kan drukken. Na bewaring is de houdbaarheid-score wat lager met 30% van de planten met rotte bladeren en relatief veel doorgroei.
Nunton F1 (Nunhems) presteerde sterk met 22,2 ton/ha en 86,3% marktbare planten, met een hoog stukgewicht. In het veld was de stand in het najaar goed, de uniformiteit hoog en de groeiwijze constant opgericht. Trips was begin september wat aanwezig, maar bleef later beter. Naarmate de winter vorderde, ging het gewas (te) snel achteruit. Percentages wegval en “te klein” zijn redelijk laag. In de bak scoort het ras zeer goed op uitzicht met sterke schachtkenmerken en een gemiddelde wit-score. Het ras heeft wel een lange stam met relatief minder witpercentage door meer aanloop. Na bewaring scoort het ras goed met weinig planten met rotte bladeren maar wel 40% met doorgroei.
Oslo F1 (Vitalis) haalde 20,0 ton/ha en 89% marktbare planten, met een stukgewicht van ±169 g. In het veld scoort het ras sterk op stand en groeiwijze, met goede uniformiteit . Tripsdruk was laag en bleef gunstig. Ziekte- en sleetscores zijn goed en de sortering is mooi verdeeld: 23,3% van de planten had een diameter kleiner dan 2 cm en 16,9% van de planten haalde 3–4 cm. In de bak geeft dit een goed uitzicht met een mooie witkleur en beperkte trips/roest. Na bewaring scoort Oslo goed met geen rotte bladeren en 30% van de planten met doorgroei.
Pluston F1 (Nunhems) zat met 16,2 ton/ha onder het gemiddelde en had ook minder marktbare planten (81,5%). In het veld was de stand middelmatig en dalend naarmate het seizoen vorderde, met matige uniformiteit en een groeiwijze die niet tot de meest opgerichte behoort. Wegval en afval lagen bovengemiddeld. Pluston scoort zwakker op sleet en ziektebeoordelingen. Sortering is eerder fijn tot midden: 26,1% van de planten <2 cm en 11,9% haalde 3–4 cm. In de bak is het uitzicht iets ondergemiddeld met blekere bladkleur en een vrij lange stam maar laag witpercentage door veel aanloop. Na bewaring is dit ras de zwakste bewaarder, 10% van de planten had rotte schachten, 20% had rotte bladeren, en 70% vertoonde doorgroei.
Rapton F1 (Nunhems) was samen met Laston het hoogste opbrengstras met 24,2 ton/ha (relatief 135%) en 87,3% marktbare planten.. In het veld scoort Rapton goed op stand uniformiteit en een sterk opgerichte groeiwijze. Wel valt op dat schot in de opbrengstcomponenten hoger ligt dan bij de andere rassen. Sleet- en ziektebeeld is verder sterk. Sortering is grof: slechts 9,66% van de planten haalde een diameter kleiner dan 2 cm en 36,55% haalde 3–4 cm. In de bak is het uitzicht goed met uitstekende schachtvorm/vastheid en de beste witkleur. Na bewaring scoort Rapton goed met beperkte rot.

Tabel 3: Resultaten van de rassenproef.
Meer info?
joran.barbry@inagro.be