Probleemonkruiden onderdrukken met strategische groenbedekkerkeuze
De juiste groenbemester op het juiste moment kan winteronkruiden stevig terugdringen. Een proef toont aan dat zowel zaaitijdstip als soortensamenstelling bepalend zijn voor een sterke onkruidonderdrukking. Voor een maximale onkruidonderdrukking worden groenbemesters best zo vroeg mogelijk ingezaaid (midden augustus). Vooral meersoortige mengsels en Japanse haver presteren hierbij sterk, dankzij hun opkomstbetrouwbaarheid, vlotte kieming en snelle bodembedekking.
Groenbemesters zijn veel meer dan een tussengewas. Ze helpen nutriënten vast te houden, verbeteren de bodemstructuur, stimuleren het bodemleven en kunnen ook bijdragen aan de onderdrukking van onkruiden. Binnen het project ‘Winteronkruiden proactief aanpakken in de biologische akkerbouw en groenteteelt’ onderzochten we hoe de keuze van groenbedekker en het zaaitijdstip de ontwikkeling van winteronkruiden beïnvloeden. Daarbij ging bijzondere aandacht naar meersoortige groenbedekkermengsels, die steeds vaker worden ingezet omwille van hun robuustheid en brede functionaliteit. Maar bieden deze mengsels ook een meerwaarde voor onkruidonderdrukking? De proefresultaten geven nieuwe inzichten voor een gerichte strategische inzet van groenbemesters in de biologische teelt om onkruiden te onderdrukken.
Focus op straatgras, vogelmuur en echte kamille
In deze proef lag de focus op een aantal typische winteronkruiden die de voorbije jaren steeds vaker voor problemen zorgen in de biologische akkerbouw- en groenteteelt. We kozen straatgras (Poa annua L.), vogelmuur (Stellaria media (L.) Vill.) en echte kamille (Matricaria chamomilla L.) als modelsoorten. Straatgras en vogelmuur kunnen het hele jaar door kiemen, groeien en zaad vormen, terwijl echte kamille vooral in de herfst en in het voorjaar kiemt. Dankzij hun goede vorsttolerantie kunnen deze soorten zich ook tijdens zachte winters verder ontwikkelen.
Door de toenemende frequentie van zachte en vochtige winters winnen winteronkruiden aan belang. Vooral in wintergranen en in teeltsystemen waar groenten tijdens de winter op het perceel blijven staan, zoals op veel CSA-bedrijven, kunnen ze zich sterk uitbreiden. Daarnaast maakt een hoge winteronkruiddruk het moeilijker om in het voorjaar een proper zaaibed aan te leggen, zeker in systemen met niet-kerende bodembewerking of bij vroeg ingezaaide voorjaarsgewassen.
Omdat mechanische onkruidbestrijding in het najaar vaak wordt bemoeilijkt door natte bodemomstandigheden, onderzochten we of groenbemesters hier een aanvullende rol kunnen spelen. We vergeleken verschillende één- en meersoortige groenbedekkers, ingezaaid op twee tijdstippen, en gingen na in welke mate zij de ontwikkeling van winteronkruiden kunnen afremmen.
Een sterke onderdrukking van winteronkruiden biedt niet alleen voordelen op korte termijn. Minder onkruiden betekent ook minder zaadproductie en dus een tragere opbouw van de zaadvoorraad in de bodem. Op langere termijn kan dit bijdragen aan een lagere onkruiddruk in volgteelten. Groenbemesters zijn dan ook een belangrijke schakel binnen een geïntegreerde strategie om winteronkruiden beheersbaar te houden.
Proefopzet: vijf groenbemesters, twee zaaitijdstippen
Van augustus 2025 tot februari 2026 legden we een proef aan op het proefbedrijf voor biologische landbouw van Inagro in Rumbeke-Beitem. Vanaf eind november komen er af en toe dagen voor met een minimumtemperatuur onder 0 °C. In de periode van eind december tot begin januari is er gedurende ongeveer twee weken vrijwel dagelijks sprake van vorst.
Op 14 augustus en 12 september zaaiden we telkens vijf verschillende groenbemesters in rijenzaai (13 cm rijafstand) met een klassieke zaaicombinatie (2 cm diep). Voor de augustuszaai diepwoelden we het integrale perceel en gebruikten we vervolgens oppervlakkig de rotoreg. Voor de septemberzaai werd een tweede oppervlakkige rotoregbewerking uitgevoerd, waardoor de tussenliggende periode als een vals zaaibed kan worden beschouwd.
Daags na de augustuszaai beregenden we 10 mm om een goede opkomst te borgen. De groenbemesters varieerden in soortendiversiteit en -samenstelling (Figuur 1):
- twee monoculturen (facelia en Japanse haver),
- één tweesoortig mengsel (facelia + Japanse haver)
- en twee meersoortige mengsels (8 soorten) beiden samengesteld uit een vaste stam van 6 soorten (facelia, Japanse haver, vlas, niger, boekweit, zonnebloem) aangevuld met
- hetzij 2 kruisbloemige soorten (bladrammenas, deder),
- hetzij met 2 vlinderbloemige soorten (Alexandrijnse klaver, zomerwikke).

Om de onkruidonderdrukking te evalueren, hielden we per zaaitijdstip ook vier niet-ingezaaide controleplots aan. Het vlinderbloemig mengsel testen we als niet-kruisbloemig alternatief, aangezien sommige teeltrotaties al Brassicaceae omvatten. Bovendien draagt dit mengsel bij aan de stikstoffixatie en kan het zo de bodemvruchtbaarheid extra ondersteunen. Binnen de meersoortige mengsels kozen we voor complementaire soorten met uiteenlopende bewortelingspatronen, groeivormen en plantarchitecturen, waaronder diepwortelende soorten zoals vlas en bladrammenas. Zonnebloem en niger (gingellikruid) gaven extra stevigheid aan het gewasbestand.
Meerjarige grassen werden niet opgenomen, omdat deze in het voorjaar het creëren van een naakt zaaibed kunnen bemoeilijken, zeker bij niet-kerende bodembewerking. In Tabel 1 staan de 5 groenbemesters met hun soortensamenstelling en zaaidosis. De gebruikte zaaidosissen werden telkens aangepast aan het kiemingspercentage van de gebruikte zaadloten, met als doel om over alle objecten heen een vaste plantendensiteit te hebben van ±385 planten/m². Elke soort in het 8-soortenmengsel werd ingezaaid aan 1/8 van de aanbevolen volleveldszaaidosis.
Tabel 1: Soortensamenstelling van de groenbemesters met soortspecifieke zaaidosis (kg/ha) en tussen haakjes het relatief percentage t.o.v. volleveldszaaidosis in monocultuur.
Opkomst varieert sterk tussen soorten en zaaitijdstippen
De standdichtheid van de verschillende groenbemesters verschilde sterk binnen de zaaitijdstippen, ondanks het doel om een vaste plantendensiteit te hebben over alle mengsels heen (Figuur 2). Facelia had bv. een veel lagere standdichtheid dan Japanse haver (103-142 planten/m² vs. 234-229 planten/m²). Het niveau van de standdichtheid van de meersoortige mengsels was wel gelijkaardig. Ook op individueel soortniveau zagen we grote verschillen in opkomst. Het grofzadige Japanse haver kwam duidelijk beter op dan de fijnzadige soorten en deder in het bijzonder. In mengsels is de ideale zaaidiepte een belangrijk aandachtspunt zeker bij sterk uiteenliggende duizendkorrelgewichten.

Uiteraard spelen bodemcondities ook een rol: onder de droge bodemomstandigheden bij de augustuszaai kiemden zaden met een klein contactoppervlak (bv. deder) of langere kiemingsduur (facelia) moeilijker; bij de septemberzaai zien we dan weer dat warmteminnende soorten als niger een moeizame opkomst vertonen. Daarnaast bedroeg de effectieve opkomst in de groenbemestermengsels slechts 26 tot 60% van het aantal ingezaaide kiemkrachtige zaden.

De grootste variatie in opkomst over zaaitijdstippen heen vinden we bij de monocultuur facelia. Japanse haver en 2-8 soortige groenbemesters fluctueren minder. Het opkomstaandeel van kruisbloemige soorten (bladrammenas en deder) in het kruisbloemige mengsel bedroeg 10 dagen na zaai 11–19% van de standdichtheid (respectievelijk bij vroege versus late zaai). Het aandeel vlinderbloemigen (Alexandrijnse klaver en zomerwikke) in het vlinderbloemige mengsel bedroeg 26–31%.
Zaaitijdstip-onafhankelijk sterk: Japanse haver en kruisbloemig mengsel
Gedurende de proef kwantificeerden we van september tot februari maandelijks (met uitzondering van januari) de bovengrondse biomassa per m². Vervolgens splitsten we de biomassa op in groenbemesterbiomassa en onkruidbiomassa (onderverdeeld in straatgras, echte kamille, vogelmuur en overig onkruid). Een lage onkruidbiomassa wijst op een sterk onkruidwerend vermogen van de groenbemester en op een lagere verwachte zaadzetting van onkruiden.

Figuur 3 toont het verloop van de veronkruiding in de groenbemesters en onbehandelde controle. De vroeg gezaaide mengsels slagen er duidelijk in de onkruidontwikkeling te minimaliseren, terwijl bij late zaai de veronkruiding toeneemt, met een uitgesproken effect in het vlinderbloemig mengsel.

Figuur 3: Droge totale bovengrondse onkruidbiomassa (gemiddelde ± standaardfout) per zaaitijdstip en meetmoment voor de verschillende groenbemesters. Gemiddelden met een gemeenschappelijke letter binnen eenzelfde meetmoment verschillen niet significant (p < 0.05).
Figuur 4 toont de gemiddelde onkruidbestrijding over alle meetmomenten heen; er werd geen interactie vastgesteld tussen groenbemester en meetmoment. De groenbemesters presteerden algemeen duidelijk zwakker bij late zaai dan bij vroege zaai: bij de septemberzaai lag de onkruidbestrijding minstens 50% lager dan bij de augustuszaai, met waarden tussen −65 en +44%. In het vlinderbloemige mengsel werd zelfs een toename van onkruidbiomassa vastgesteld in vergelijking met de controle.

Groenbemesters varieerden in onkruidwerend vermogen, en deze respons was bovendien afhankelijk van het zaaitijdstip (Figuur 4). Bij de zaai in augustus werden onkruiden significant beter onderdrukt door het kruisbloemig mengsel dan met facelia en het 2-soortig mengsel facelia + Japanse haver. Ook het andere 8-soortig mengsel, het vlinderbloemig mengsel en de monocultuur Japanse haver bleken sterk onderdrukkend. Bij de septemberzaai werd een ander patroon vastgesteld, met significant lagere onkruidonderdrukking bij het vlinderbloemige mengsel ten opzichte van de overige groenbemesters, die onderling niet significant verschilden; hier bleek Japanse haver de topper (Figuur 3).
Focussen we op de doelsoorten echte kamille, vogelmuur en straatgras, dan zet dezelfde trend zich door (Figuur 5 en 6). Bij de augustuszaai zien we opnieuw het uitstekend onderdrukkend vermogen van het kruisbloemig mengsel, over meetmomenten heen. Bij de septemberzaai excelleert Japanse haver dan weer en vertoont het vlinderbloemige mengsel duidelijk de laagste onderdrukking van deze winteronkruiden. Hierbij ging het vooral over vogelmuur, echte kamille en straatgras kwamen slechts in beperkte mate voor op het proefperceel (Figuur 6).


De sterkere onkruidonderdrukking bij vroeg gezaaide groenbemesters hangt samen met een hogere biomassaopbouw. Japanse haver bouwde, ongeacht het zaaitijdstip, de meeste biomassa op en was daardoor sterk onkruidonderdrukkend (Figuur 7). Toch blijkt biomassa niet de enige bepalende factor. Bij de augustuszaai realiseerde het kruisbloemige mengsel de beste onkruidonderdrukking, ondanks een consistent lagere biomassa dan Japanse haver. Het kruisbloemige mengsel vormde evenwel snel een gesloten bladerdek, zoals blijkt uit de hoge biomassaopbouw in oktober, en bleef voldoende lang groen in het voorjaar, wat de onkruidonderdrukking extra versterkte.

Ook gewasstructuur, soortensamenstelling en specifieke soorteigenschappen spelen dus een belangrijke rol. Zo combineren soorten zoals bladrammenas en boekweit een snelle beginontwikkeling met de productie van fytotoxische secundaire metabolieten, die via wortelexudaten in de bodem terechtkomen en de kieming en groei van kleinzadige onkruiden kunnen remmen. Ook Japanse haver wordt in verband gebracht met allelopathische eigenschappen.
Onkruidwerende groenbemesters: maatwerk blijft noodzakelijk
Voor een maximale onkruidonderdrukking worden groenbemesters best zo vroeg mogelijk ingezaaid (midden augustus). Vooral meersoortige mengsels en Japanse haver presteren hierbij sterk, doordat ze opkomstbetrouwbaarder zijn, snel kiemen en het perceel vlot dichtgroeien, ook onder de drogere bodemomstandigheden van 2025. Over de verschillende zaaitijdstippen heen was de monocultuur Japanse haver en het kruisbloemige 8-soortenmengsel (en dit ondanks een laag aandeel Brassicaceae) het meest robuust. Het vlinderbloemig 8-soortenmengsel presteerde enkel sterk bij vroege zaai; bij late zaai bleef de biomassaproductie van de aanwezige soorten te beperkt, met ernstige veronkruiding tot gevolg, vooral dan door winteronkruiden. Laat gezaaide groenbemesters (midden september) hebben dan ook weinig baat bij warmtebehoevende, sterk vorstgevoelige soorten.
De samenstelling van meersoortige groenbemesters blijft dus maatwerk, afgestemd op zaaitijdstip en doelstellingen, met duidelijke implicaties voor opkomstzekerheid en onkruidonderdrukking in het veld.
Meer info?
joran.barbry@inagro.be
Proef uitgevoerd in kader van het bio onderzoeksproject “Winteronkruiden proactief aanpakken in biologische akkerbouw en groenteteelt”, met financiële steun van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij van Vlaanderen.