Veldbonen als volwaardige eiwitcomponent in het melkveerantsoen: resultaten van het eerste proefjaar van het BioTOAST project
In de biologische melkveehouderij bieden veldbonen perspectief als lokaal eiwitgewas, ook al ligt hun ruw eiwitgehalte lager dan dat van soja. Toasten kan hun voederwaarde verder verhogen door de eiwitbestendigheid te verbeteren. Dit zou echter des te interessanter zijn met onrijpe veldbonen. Omdat veldbonen onder biologische omstandigheden vaak in mengteelt worden verbouwd, onderzoekt het BioTOAST-project zowel teelt- als verwerkingstechnieken om hun gebruik in het melkveerantsoen te optimaliseren. Hier presenteren we de resultaten van het eerste jaar veldproeven.
Het toasten van veldbonen
In de biologische melkveehouderij blijft het een uitdaging om meer eiwit uit eigen teelten te halen. Biologische soja is duur en wordt schaarser. Ondanks een lagere ruw eiwit gehalte vormen veldbonen een interessante alternatieve lokale eiwitbron. Ze zijn een haalbare teelt in Vlaanderen. Zo zijn er de afgelopen vijf jaar in Vlaanderen verschillende onderzoeksprojecten uitgevoerd rond de teelt van veldbonen (zie onderaan dit artikel). Deze projecten hebben getoond, net zoals andere projecten in het buitenland, dat het toastproces het gehalte aan bestendig eiwit kan verhogen. Dit betekent dat meer eiwit beschikbaar blijft voor absorptie in de darmen, wat zich vertaalt in een hogere DVE-gehalte (darm verteerbaar eiwit). De DVE stijging varieert echter afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het toastproces, zoals getoond in het ToastKanLokaal-project .
Deegrijp gedorste veldbonen?
Daarnaast lijkt het erop dat het toasten van veldbonen in het deegrijpe stadium tot een hogere eiwitbestendigheid kan leiden dan het toasten van droge bonen. Deze techniek wordt toegepast in noordelijke landen zoals Denemarken, waar het groeiseizoen korter is waardoor veldbonen standaard met een hoog vochtgehalte worden geoogst. Het toasten van deegrijpe veldbonen werd er aanvankelijk toegepast om de bonen te drogen. Toen bleek dat dit ook leidde tot hogere DVE-waarden in vergelijking met droge bonen, werd deze strategie steevast toegepast.
Veldbonen, in meng- of monoteelt?
Mengteelten van veldbonen en graan kunnen verschillende teelttechnische voordelen bieden zoals een verhoogde onkruidonderdrukking, stabielere opbrengsten en een hoger eiwitgehalte van het graan. Bovendien kan de mengteelt extra inkomsten opleveren door de mogelijkheid om het graan apart af te zetten. In een mengteelt dienen het graan en de veldbonen gelijktijdig af te rijpen. Maar de veldbonen deegrijp worden geoogst, heeft dat ook effect op het graan, dat bij de oogst onvoldoende afgerijpt zal zijn. Uiteindelijk is triage doorgaans nodig vóór het toasten voor een optimale benutting van de veldbonen als eiwitbron.
Binnen dit project worden verschillende scenario’s vergeleken om te bepalen welke strategie onder welke omstandigheden het meest interessant is. Ter ondersteuning van deze analyse wordt een veldproef uitgevoerd waarbij veldbonen worden geteeld in monoteelt of in mengteelt met baktarwe, en vervolgens droog of deegrijp gedorst. Er is gekozen voor baktarwe om de potentiële extra inkomsten te maximaliseren.
Proefopzet
De proef was opgezet op zandleem bodem bij het proefbedrijf voor biologische landbouw van INAGRO in Beitem. Veldonen van ras ‘Tundra’ et baktarwe ‘Christoph’ werden gebruikt.
De proef omvatte zes objecten in vier herhalingen:
- mengteelt van veldbonen en baktarwe, droog of deegrijp gedorst ;
- monoteelt veldbonen, droog of deegrijp gedorst ;
- monoteelt baktarwe, bemest of onbemest.
De voorteelt in 2025 was wortelen. De proef werd op 22/10/25 ingezaaid. De zaaidichtheid van de veldbonen was 30 z/m² zowel bij de monoteelt als bij de mengteelt om de aanwezigheid van veldbonen te maximaliseren. De zaaidichtheid van baktarwe was 400 z/m² bij de monoteelt en 200 z/m² bij de mengteelt. Op de dag van het inzaaien werd een wildnet over de proef opgelegd, dat op 20 januari werd verwijderd.
Het stikstofresidu na de winter, gemeten op 25/02, was laag: 6-9-16 kg N/ha op 0-30, 30-60 en 60-90 cm diep, in totaal 31 kg/ha. De stikstofbemesting op het enige bemeste object, de monoteelt bemeste baktarwe, was 100 kg N/ha, aangebracht op 12/03.
Wat de onkruidbestrijding betreft, zijn er drie passages met de precisiewiedeg uitgevoerd, op 19/03, 20/03 en 3/04.
De oogst vond plaats op 2/07 voor de deegrijp gedorste objecten, en op 13/07 voor de rest van de proef.
Vogelschade bij de veldbonen
De plantdichtheid van het graan was hoog (gem. 90 ± 8% van de zaaidichtheid). De plantdichtheid van de veldboon was lager (gem. 42 ± 21% van de zaaidichtheid) en varieerde sterk tussen de herhalingen: het was veel lager in herhalingen 3 en 4 (met 28 en 19% van de zaaidichtheid, respectievelijk) dan in herhalingen 1 en 2 (met 63 en 58%, respectievelijk). Deze lage plantdichtheid was te wijten aan schade door vogels, ondanks afdekken met een wildnet. Om onbekende redenen was de schade in herhalingen 3 en 4 groter. Dit had gevolgen voor de opbrengsten (zie hieronder).
Vochtgehalte bij de oogst
Het vochtgehalte van de droog gedorste korrels, bepaald na droging in de droogkast, bedroeg gemiddeld 9% voor zowel tarwe als veldbonen. Bij de deegrijp gedorste objecten bedroeg het vochtgehalte gemiddeld 26% voor tarwe en 27% voor veldbonen in mengteelt, tegenover 38% voor veldbonen in monoteelt. Dit hogere vochtgehalte in de veldbonen bij de monoteelt zou te wijten zijn aan de hogere onkruiddruk in deze veldjes.
Opbrengsten
Noch het stadium bij de oogst (droog vs deegrijp), noch het type teelt (monoteelt vs mengteelt) had een effect op de opbrengst in veldbonen (bruine balken in Figuur 1a). Deze was gemiddeld iets hoger bij de monoteelt (3.9 ± 1.3 en 3.7 ± 1.8 t/ha voor de droog en deegrijp gedorst objecten, respectievelijk) dan bij de mengteelt (3.2 ± 1.3 en 2.7 ± 1.2 t/ha, respectievelijk), maar de variatie tussen herhalingen was hoog en het verschil statistisch niet significant. Dit wijst erop dat tarwe weinig concurrentie heeft gevormd voor de veldboon in de mengteelt. De gemiddelde opbrengst veldbonen bedroeg 3.4 ± 1.4 t/ha ongeacht het object.

Figuur 1. Opbrengsten omgerekend naar 15% vocht (kg/ha) (a) en ruw eiwit gehalte (% droge stof) (b) van veldboon ‘Tundra’ en baktarwe ‘Christoph’ verbouwd in mengteelt of in monoteelt. Waarden met eenzelfde letter, zijn niet significant verschillend (p>0,05). In Figuur 1a hebben de letters betrekking op de totale opbrengsten.
Wat de totale opbrengst betreft (veldbonen + tarwe), was deze het hoogst bij de monoteelt bemeste tarwe met 8.9 ± 0.4 t/ha, gevolgd door de droog gedorste (6.9 ± 0.7 t/ha) en deegrijp gedorste (6.3 ± 0.3 t/ha) mengteelt Figuur 1a). De opbrengsten waren lager bij de onbemeste tarwe (5.7 ± 1.0 t/ha) en de monoteelten veldboon. De hoge opbrengst van de bemeste tarwe was te danken aan de ruime bemesting die het gewas had gekregen.
Met respectievelijk 45 en 43% was het aandeel veldbonen in de totale opbrengst van de mengteelt vergelijkbaar tussen de droog en deegrijp gedorste objecten. Het varieerde echter sterk tussen herhalingen, van gemiddeld 67% in herhaling 1 tot gemiddeld 26% in herhaling 3 als gevolg van de schade door vogels.
Ruw eiwitgehalte
Het eiwitgehalte van de veldbonen was bij de verschillende objecten vergelijkbaar en bedroeg gemiddeld 26 ± 1% (Figuur 1b). Wat baktarwe betreft, was het eiwitgehalte hoger bij de mengteelten (12.4 ± 1.4% en 11.7 ± 0.9%, respectievelijk, voor de deegrijpe en droog gedorste tarwe) gevolgd door de tarwe bemest (11.3 ± 0.5%). Zoals verwacht was ze het laagste bij de onbemeste tarwe (10.1 ± 0.3%; Figuur 1b).
Bevindingen van het eerste proefjaar
Op basis van de resultaten van dit proefjaar lijkt een mengteelt van veldboon met baktarwe vanuit technisch oogpunt de meest interessante optie. Er werd immers weinig concurrentie van de tarwe op de ontwikkeling en opbrengst van de veldboon vastgesteld. Daarnaast bleek de tarwe in de minst gunstige omstandigheden, de lagere prestaties van de veldboon gedeeltelijk te compenseren.
Vergelijkbare resultaten waren behaald met de deegrijp en droog gedorste teelten. Het effect van het oogststadium op de eiwitbestendigheid na toasten zal op de oogst van volgend jaar worden onderzocht.
De resultaten wijzen erop dat het graan als baktarwe kan worden gevaloriseerd. Met een ruw eiwitgehalte van 11,7% lijkt de kwaliteit van het graan a priori voldoende om in aanmerking te komen voor afzet als baktarwe.
Meer info
Anne-Michelle Faux (Inagro), anne-michelle.faux@inagro.be
Deze proef werd uitgevoerd in het kader van het CCBT-project 'BioTOAST' met de financiële steun van het Agentschap van Landbouw en Zeevisserij van Vlaanderen.

Onderzoeksprojecten veldbonen:
- Melkboon: Potentieel voor eiwittransitie met veldbonen van lokale teelt - ILVO
- Veldbonen, van veld tot voer: Veldbonen, van veld tot voer - PVL
- Een boon voor Leuven: Een boon voor Leuven - ILVO Vlaanderen
- Pensvoer: Gehele plantsilage van granen en pensgezondheid | Provincie Antwerpen
- EKOPTI: Eiwit in de Koe OPTImaliseren om de N- en P-excreties naar het milieu op een economische manier aan te pakken | Inagro
- ToastKanLokaal: Wanneer loont een veldbonentoaster op jouw bedrijf? | Inagro