Skip to main navigation
Home
  • News
  • Calendar
  • Themes
    • Afdekmaterialen
    • Irrigatie
    • Mechanische onkruidbeheersing
    • Plagen & ziekten
  • Projects
  • Research Centres
  • Research database
  • About
  • Contact
Sorteeropties
  • en
  • nl
Menu

Breadcrumb

  1. Home
  2. Natuurlijke Plaagbeheersing In de Koude Kas: Welke Vijanden Vliegen Binnen En Wat Werkt Hen Tegen?

Natuurlijke plaagbeheersing in de koude kas: welke vijanden vliegen binnen en wat werkt hen tegen?

18/02/2026
Sander Fleerakkers (Proefstation voor de Groenteteelt) & Bram Vanthournout (HoGent)

beschutte teelt

biodiversiteit

Veel biologische bedrijven streven naar een maximale biodiversiteit op hun percelen om zoveel mogelijk natuurlijke vijanden aan te trekken voor een natuurlijke plaagbeheersing. In open lucht lukt dat tamelijk goed. In warme serres maakt men eerder gebruik van commerciële bestrijders. In koude serres zijn telers nog zoekende naar welke aanpak het beste werkt.

Het Biodiversikas-project ondersteunt die zoektocht en heeft ondertussen een eerste volledig seizoen afgerond in biologische koude serres. Dit eerste seizoen kregen we meer inzicht in wat er in en rond de kas aanwezig is, hoe we commerciële bestrijders beter kunnen inzetten en welke maatregelen biodiversiteit kunnen bevorderen. In dit artikel geven we een samenvatting van onze belangrijkste bevindingen.

Duidelijk minder vijanden en plagen in de serre dan in de omgeving

In een eerste luik volgen we op welke plagen en natuurlijke vijanden er van nature al aanwezig zijn in de serre, maar ook in de directe omgeving van de serre en hoe groot de verschillen daartussen zijn. Dit deden we bij vijf bedrijven, waardoor ook onderlinge verschillen naar boven komen. Hieronder zie je enkele voorbeelden van resultaten van vangsten met gele vangplaten.

Het is duidelijk dat er buiten de serre hogere aantallen insecten voorkomen dan binnen. Dat geldt zowel voor plagen als voor natuurlijke vijanden. Dit komt uiteraard overeen met de verwachtingen, aangezien de grotendeels afgesloten serre veel migratie beperkt.

Insecten kunnen zich natuurlijk ook in de serre voortplanten. Bladluizen profiteren van de hogere temperaturen en hebben relatief een veel snellere voortplanting dan natuurlijke vijanden. Zonder voldoende natuurlijke vijanden kunnen bladluisproblemen snel uit de hand lopen. Dit komt niet altijd terug in deze data, aangezien die enkel gevleugelde bladluizen weerspiegelen, en niet de grotendeels ongevleugelde probleemkolonies.

biodiversikas figuur 1
Figuur 1: Gemiddeld aantal gevleugelde bladluizen (alle soorten) die per val geteld werden binnen en buiten de serre, over de monitoringsperiode heen (jun-aug 2025). Van links naar rechts worden de vijf bedrijven die we opvolgden voorgesteld.

 

biodiversikas figuur 2
Figuur 2: Gemiddeld aantal sluipwespen (alle soorten) die per val geteld werden binnen en buiten de serre, over de monitoringsperiode heen (jun-aug 2025). Van links naar rechts worden de vijf bedrijven die we opvolgden voorgesteld; zelfde volgorde als Figuur 1.

 

biodiversikas figuur 3
Figuur 3: Gemiddeld aantal plagen of vijanden die per val geteld werden, over de hele monitoringsperiode en de vijf bedrijven heen.

 

Grote verschillen tussen bedrijven en hun omgeving

In Figuren 1 en 2 zien we niet alleen dat er een groot verschil is tussen de insecten binnen en buiten de serre, maar dat er ook grote verschillen zijn tussen de verschillende bedrijven en hun omgeving. Zo zien we bij één van de bedrijven opvallend meer bladluizen in de omgeving, wat ook weerspiegeld wordt in wat we daar binnen de serre vinden. Andere bedrijven hebben dan weer bijzonder weinig bladluizen in de omgeving.

Ook in de aanwezigheid van natuurlijke vijanden is er een verschil tussen bedrijven en zijn er twee bedrijven met een veel grotere populatie sluipwespen buiten de serre. Zeker het derde bedrijf is een bedrijf met een zeer biodiverse omgeving. Deze populaties sluipwespen zien we binnen de serre minder weerspiegeld, al heeft dat er ook mee te maken dat er weinig bladluizen op deze bedrijven zijn, die nodig zijn om sluipwesppopulaties in stand te houden.

Welke natuurlijke vijanden vliegen binnen via de dakramen?

De belangrijkste migratieroute in de serre is via de dakramen. Alle natuurlijke vijanden die via de dakramen zelf binnenvliegen hoeven we niet meer uit te zetten. Met dat idee monitorden we met doorzichtige plakvallen alle plagen en nuttigen die op vijf bedrijven door de dakramen vlogen.

biodiversikas foto 1
Foto 1: Met doorzichtige plakvallen probeerden we een beeld te krijgen welke insecten via de dakramen binnenvlogen (Foto PSKW).

 

biodiversikas figuur 4
Figuur 4. Gemiddelde invlucht van bladluizen en tripsen (alle soorten, uitgezonderd rooftrips), over de vijf bedrijven heen.

 

De twee groepen insecten die het meest binnenvlogen zijn bladluizen en tripsen. Bij bladluizen zien we vooral hoge aantallen in mei en juni, het tijdstip waarop de gevleugelde individuen het meest migreren.

Ook hier zijn er verschillen tussen de bedrijven zichtbaar. Eén bedrijf heeft opvallend meer invlieg van trips dan de andere vier. In de invlucht van bladluizen zien we minder duidelijke verschillen tussen de bedrijven, ondanks de verwachtingen op basis van Figuur 1.

biodiversikas figuur 5
Figuur 5. Gemiddelde invlucht van sluipwespen, over de vijf bedrijven heen. Op twee van de vijf bedrijven werden ook enkele soortengroepen bepaald. Na week 28 werden deze twee bedrijven niet langer gemonitord. Hierdoor is er een schijnbare toename in het aantal sluipwespen, maar dat komt eerder door relatieve aanrijking van de aantallen die bij de andere drie bedrijven hoger waren.

 

Bij de sluipwespen zien we dat de piek van de aantallen ongeveer samenvalt met de piek in bladluizen, in week 25. De twee groepen die in groen aangeduid zijn (Aphelinidae en Aphidiinae), zijn families met vooral sluipwespen van bladluizen en wittevliegen, en zijn dus erg nuttig.

We zijn niet zeker in hoeverre de extrapolatie geldig is, maar als we rekening houden met de oppervlakte van de plakval en de gemiddelde vensteropening van de bedrijven, zou één individu op de plakval overeenkomen met een invlucht van 40 individuen per venster. Als we naar de nuttige Aphidiinae kijken, met onder andere de Aphidius-soorten in deze familie, zou er op het bedrijf waar deze apart geteld werden op het beste moment zo’n 200 nuttige sluipwespen per venster binnenvliegen, volgens deze extrapolatie.

Let erop dat dit wel nog over verschillende soorten gaat en niet elke soort van deze nuttige sluipwespen elke soort bladluis kan parasiteren.

biodiversikas figuur 6
Figuur 6. Gemiddelde invlucht van andere natuurlijke vijanden, over de vijf bedrijven en de weken heen.

 

De aantallen andere natuurlijke vijanden die binnenvliegen zijn relatief laag (gemiddeld minder dan één per val per week), wat de verwachtingen ook niet tegenspreekt. Roofwantsen, roofvliegen en zweefvliegen vinden nog relatief goed hun weg naar binnen, andere belangrijke vijanden zoals lieveheersbeestjes en gaasvliegen minder. Deze soorten worden ook in de omgeving relatief weinig teruggevonden, maar kunnen er door de lage invlucht toch baat bij hebben uitgezet te worden.

Hogere serre betekent minder vijanden, maar meer luizen

Op één bedrijf met zowel een hoog als een laag serrecompartiment konden we ook nagaan wat de invloed is van de hoogte van de dakramen op de invlucht. De opening van de ramen begon hier op respectievelijk 3,6 m en 4,7 m. Hoewel de bevindingen op een beperkte dataset gebaseerd zijn, zien we wel duidelijke trends. Zoals we verwachten zien we de meeste invlucht bij de laagste opening. Zeker lieveheersbeestjes, galmuggen, gaasvliegen, sluipwespen en roofwantsen vliegen bij deze lagere dakramen meer binnen. Veel natuurlijke vijanden gaan vooral onder de 3m actief op zoek naar hun prooi, wat deze verschillen verklaart.

Zweefvliegen zijn goede vliegers, en we zien dan ook dat de verschillen daar minder groot zijn tussen beide raamhoogtes. Bij bladluizen is het verschil zelfs omgekeerd, en zien we de hoogste invlucht net bij de hogere dakramen. Bladluizen gaan in tegenstelling tot de eerdere insecten minder ‘actief’ vliegen en laten zich vaak passief door de wind meevoeren, waardoor ze makkelijker deze hoogtes (en zelfs veel hoger) halen.

Problemen met hyperparasitoïden en mieren

Op Figuur 5 zijn enkele sluipwespgroepen in rood aangeduid. Dit zijn hyperparasitoïden. Hyperparasitoïden zijn soorten ongewenste sluipwespen die parasiteren op andere (nuttige) sluipwespen en zo de populatie-opbouw van nuttige sluipwespen tegenwerken. Zowel natuurlijke als uitgezette sluipwespen kunnen door deze soorten soms falen in het beheersen van bladluizen.

Op drie bedrijven volgden we in de vruchtgroenten de bladluisdruk en hun parasitering op. Op twee bedrijven bleven de bladluizen goed onder controle door natuurlijke vijanden. Het derde bedrijf had meer moeite met bladluisbeheersing. Het bleek dat de hyperparasitoïden op dat bedrijf de natuurlijke én uitgezette sluipwesppopulaties sterk onderdrukten.

foto 2 biodiversikas
Foto 2: Dendrocerus aphidum, een hyperparasitoïde van Aphidius-sluipwespen (Foto PSKW).

 

Wanneer dit gebeurt, en sluipwespen hun werk niet meer kunnen doen, valt de beheersing van bladluizen terug op predators zoals lieveheersbeestjes en zweefvliegen. Op het bedrijf met de bladluisproblemen, vonden ook deze moeilijk toegang tot de luizen door de aanwezigheid van mieren.

Mieren beschermen bladluizen tegen hun predators in ruil voor de zoete honingdauw die bladluizen produceren. Op die manier kunnen ze onrechtstreeks ook grote problemen veroorzaken. In 2026 zullen we ook onderzoeken hoe we die mieren kunnen beheersen of kunnen afleiden van hun taak als bladluisbeschermers.

foto 3 biodiversikas
Foto 3. Mieren beschermen bladluizen en kunnen zo onrechtstreeks problemen veroorzaken (Foto PSKW).

 

Biodiversiteit in de serre bevorderen met bloemen(mengsels)

Uiteindelijk willen we in het project ook goede technieken vinden die de biodiversiteit in de serre bevordert. In 2025 hebben we vooral ingezet op de inzaai van bloemen(mengsels) op plaatsen die vrijkomen. Het onderzoek gaat door in diverse biologische kassen waar veel verschillende teelten door elkaar staan. Regelmatig komen er daardoor plaatsen vrij die we kunnen gebruiken om bloemen in te zaaien, waardoor er minder nuttige teeltoppervlakte moet ingenomen worden.

De grote moeilijkheid bij het experiment was de opkomst van de bloemen. Wanneer er plek vrijkwam, waren de omstandigheden niet altijd optimaal (bv. later in jaar, warm en droog), en ook irrigatie op deze stukken was moeilijk te sturen. Bovendien moeten de bloemen op korte tijd in bloei komen om voordeel te bieden. Eén van de weinige soorten die het wel relatief goed deed was zilverschildzaad.

Dit jaar gaan we in het project verder op zoek naar oplossingen en zullen we onder andere onze pijlen richten op het voorzaaien en uitplanten van de bloemen.

We zijn bezig met de organisatie van een webinar (fytolicentie bijscholing) dit voorjaar waar we onder meer het probleem van de hyperparasitoïden in meer detail toelichten. Houd de BIOpraktijk agenda in de gaten!

Ook op de Netwerkdag 'Techniek in bio tuinbouw' later dit jaar (16 september) geven we een workshop rond biodiversiteitsmaatregelen.

 

Meer info?
sander.fleerakkers@proefstation.be

logo biodiversikas

 

Related projects
BIODIVERSIKAS: Introductie van meer biodiversiteit in biologische koude kassen

Search per category

ruminants
poultry
pigs
pome fruit
soft fruit
arable land
protected crops
herbs
flowers
vegetables
soil fertility
biodiversity
energy
research & policy
project calls

Calendar

Bouw zelf je doekenoproller!
24/02/2026
Biobedrijfsnetwerk Melkveehouderij
25/02/2026
Studievoormiddag: Hoe kunnen biologische veehouders en onderzoekers samenwerken voor meer en beter onderzoek?
26/02/2026
Biobedrijfsnetwerk Sierteelt
26/02/2026
Biobedrijfsnetwerk kleinfruit
05/03/2026
Inspiratie- en netwerkdag biologische landbouw
05/03/2026
› meer activiteiten

website by startx

CCBT vzw
Tel: +32 9 331 60 85
Mail: info@ccbt.be
Schaessestraat 18, 9070 Destelbergen

Footer-menu

  • News
  • About
  • Research Centres

Met de steun van het departement landbouw en visserij van de Vlaamse overheid.

Home
  • News
  • Calendar
  • Themes
    • Afdekmaterialen
    • Irrigatie
    • Mechanische onkruidbeheersing
    • Plagen & ziekten
  • Projects
  • Research Centres
  • Research database
  • About
  • Contact
  • Log in