Aardvlooien in koolgewassen: inzichten uit twee jaar monitoring en eerste perspectief op larvenbestrijding
Aardvlooien blijven een hardnekkige uitdaging in biologische koolteelten. Vooral gewassen zonder dikke waslaag, zoals paksoi, rucola en Chinese kool, krijgen het zwaar te verduren tijdens warm, droog voorjaarsweer. In 2025 liep de druk uitzonderlijk hoog op. Twee jaar intensieve monitoring door Inagro, PSKW en HOGENT brengt de populatiedynamiek van de verschillende aardvlo‑soorten in beeld. Tegelijk tonen eerste veldproeven perspectief om via larvenbestrijding de aantallen van de nieuwe zomergeneratie te verlagen.
Aardvlooien komen in veel teelten voor en de insectengroep omvat veel soorten die verschillende soorten planten als voedselbron gebruiken. De drie belangrijkste soorten die koolgewassen schade aanrichten, behoren tot het geslacht Phyllotreta. De volwassen kevers van deze soorten zijn actief vanaf het voorjaar tot oktober. Een warm en droog voorjaar zorgde in 2025 voor een sterke migratie en activiteit van overwinterende kevers bij de start van het teeltseizoen. Onder deze omstandigheden is de druk dermate hoog dat een curatieve beheersing met biopesticiden onvoldoende is. Daarom zoeken we in het project naar alternatieve maatregelen om de schade te beperken of de lokale populatieopbouw van de soorten te verminderen.
Schietgaatjes, wegval en groeivertraging: herkenbare schadebeelden
De kleine volwassen kevers van de aardvlo eten gaatjes in de kiemblaadjes en jongste blaadjes en schrapen de bovenste laag cellen (epidermis) af van ouder blad of stengels. Het typisch schadebeeld zijn talrijke kleine ‘schietgaatjes’ over het hele bladoppervlak of putjes in bladeren met een dikkere waslaag, vooral aan de bladranden. Bij ernstige schade verdroogt het bladweefsel en sterven de bladeren af waardoor de planten achterblijven in groei of wegvallen.
Levenscyclus: één generatie per jaar, maar lange aanwezigheid
De aardvlooien die in het voorjaar actief zijn, zijn in het voorgaande jaar verpopt. Overwintering gebeurt als volwassen kever en vooral in strooisellagen onder hagen, bosranden en houtkanten. Zodra de dagtemperatuur 11°C overschrijdt worden ze actief. Ze komen op krachten door zich te voeden met wilde kruisbloemige planten als mosterdachtigen of herik. Vanaf dat de temperaturen stijgen, bij 14–16°C, beginnen ze te vliegen en begint de migratie naar koolpercelen. Maximale activiteit wordt gemeten vanaf 17°C.
De adulte kevers voeden zich dan verder in de koolgewassen. Na de paring leggen de kevers eitjes vanaf eind mei. Afhankelijk van de soort worden de eitjes op de grond of op de bladeren van hun waardplanten afgelegd. De larven voeden zich met de wortels of mineren in de bladeren of stengels, opnieuw afhankelijk van de soort. Deze schade wordt meestal niet opgemerkt en heeft weinig impact. Vanaf juli verschijnt de nieuwe generatie adulten. Deze kevers kunnen dan nog nieuwe vraatschade veroorzaken in koolgewassen op oudere bladeren of aan spruitjes. Deze schade is minder groot dan in het voorjaar, maar kan cosmetische schade opleveren of een toegangspoort vormen voor secundaire schimmelziekten. Als de temperaturen zakken, vanaf oktober, zoeken de aardvlooien een geschikte overwinteringsplaats.
Voorjaarsmigratie moeilijk te ondervangen
Ook de overwinteringsplaatsen van de volwassen aardvlooien worden onderzocht. Zo gaan we met behulp van tentvallen en een analyse van strooisellagen na waar de kevers overwinteren en wanneer ze actief worden. De eerste resultaten in 2024 en 2025 wijzen erop dat kevers terug actief worden in maart, na hun winterrust, en dat ze vooral onder houtkanten en hagen overwinteren. Dit wordt ook in de literatuur bevestigd.
Aangezien houtkanten en hagen de belangrijkste overwinteringsplaatsen lijken te zijn, onderzochten we vorig jaar of het mogelijk was om met lokvallen de voorjaarsmigratie tegen te gaan. In het project onderzoeken we of we met specifieke lokvallen de voorjaarsmigratie naar de koolvelden kunnen beperken. Een eerste proef in 2025 toonde weinig potentieel, maar we gaan dit jaar de opzet verfijnen om deze techniek verder te onderzoeken.
Warme en droge condities zorgden voor hoge druk in 2025
Figuur 1 toont het verloop van de aardvlovangsten op gele vangplaten in koolgewassen tijdens het teeltseizoen in 2024 en 2025. Bij de identificatie maken we onderscheid tussen enerzijds de blauwe koolaardvlo (Phyllotreta cruciferae) en anderzijds de twee belangrijkste gestreepte soorten (P. undulata en P. nemorum). Deze laatste twee zijn morfologisch moeilijk van elkaar te onderscheiden en worden daarom gezamenlijk aangeduid als kleine/grote gestreepte koolaardvlo.

In 2024 werden de kleine en grote gestreepte koolaardvlo het meest waargenomen (ongeveer 2.000 individuen), gevolgd door de blauwe koolaardvlo (500 individuen). Tijdens de ganse periode volgden we 11 percelen op over 26 weken en we gebruikten 2 plakvallen per perceel. Deze soorten kenden allemaal een stijging van de aantallen begin juli, met een duidelijke piek midden augustus.
In 2025 namen we van deze soorten sterk verhoogde aantallen waar, bij een ruwweg gelijkaardige monitoringsintensiteit. Zo werden in de hele monitoringsperiode meer dan 10.000 individuen van de blauwe koolaardvlo geteld op de plakvallen en voor de kleine/grote gestreepte aardvlo bijna 20.000.
Eerste veldproeven om larven te bestrijden tonen potentieel
In 2025 werden zowel bij Inagro als op het PSKW proeven aangelegd ter bestrijding van aardvlolarven en -poppen. Voor de bestrijding focusten we op de inzet van biologische controleorganismen (BCO’s), met name entomopathogene aaltjes en schimmels. De voorjaarsgeneratie van volwassen aardvlooien kunnen we met deze strategie niet rechtstreeks verminderen, maar we kunnen mogelijk wel de nieuwe generatie aardvlooien reduceren. Deze strategie kan de populatieaangroei ook vertragen en zorgen voor een lagere druk in het volgende voorjaar. Verschillende producten toonden beloftevolle resultaten om het aantal nieuw ontluikende zomerkevers te reduceren. Onder andere producten van Koppert en Lallemand toonden potentieel. Veel proefmiddelen zijn (nog) niet erkend in de teelt van Chinese kool of paksoi. Sommige hebben wel een erkenning in andere koolteelten.

De producten moeten in juni of ten laatste begin juli ingezet worden (of werkzaam zijn in die periode), omdat de larven van aardvlo vooral dan aanwezig zijn (Figuur 2). In de proef pasten we de middelen toe tijdens de teelt van Chinese kool of paksoi. De BCO’s werden ook na de oogst nog een tweede of derde keer toegepast. Hierna werden de verschillende plots met gaaskooien geïsoleerd om de nieuw ontluikende adulten op te volgen.

In de proef op PSKW ontloken er bij alle onderzochte middelen 37 tot 55% minder aardvlooien in vergelijking met de onbehandelde referentie (Figuur 3). Vooral Capyphor en twee proefmiddelen toonden een goede werking. In de proef bij Inagro zorgden vooral de toepassingen van entonomopathogene schimmels voor een lager aantal ontloken adulten (32 tot 50% minder). De aaltjes toonden in deze proef weinig effect. Een verschil in de toepassingstijdstippen en de grotere aardvlopopulatie bij Inagro kan de lagere werkzaamheid mogelijk verklaren.

In 2026 zullen we de proeven herhalen en nog meer inzetten op de keuze van toepassingstijdstip op basis van gerichte monitoring.
Experimentele middelen veelbelovend in het labo
Naast deze eerste veldproeven testte HOGENT ook zeven experimentele middelen in het labo. De proeven werden uitgevoerd op aardvlosoorten die voorkomen op vlas en op kolen. Voor elk middel werd zowel het effect op de bladvraat als op de mortaliteit van adulte kevers bepaald. De laboproef toonde enkele veelbelovende resultaten. Zo leidden bepaalde middelen tot een duidelijke vermindering van de bladvraat ten opzichte van de controlebehandeling. Daarnaast werd bij een aantal producten ook directe mortaliteit van adulte kevers vastgesteld. We zullen de meest veelbelovende middelen komend seizoen verder evalueren in veldproeven, met als doel hun effectiviteit onder praktijkomstandigheden te bevestigen.
Meer info?
joran.barbry@inagro.be
Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het LA-traject ‘Systeemgerichte aanpak van aardvlooien’, met steun van het Agentschap Innoveren & Ondernemen.
